Noteer de juiste vorm van de persoonsvorm (v.t. = zet de zin in de verleden tijd, t.t. = zet de zin in de tegenwoordige tijd).

1. De helft van de aanwezigen verlaten (v.t.) de zaal voortijdig.
2. De waarheid van de verklaringen worden (t.t.) door de politie betwijfeld.
3. Een groot aantal mensen gaan (t.t.) er deze maand in inkomen op achertuit.
4. Bij dit wasprogramma worden (t.t.) minder water en energie gebruikt.
5. Over de verkoop van deze toestellen in 2006 kunnen (t.t.) pas halverwege het jaar reële prognoses worden gegeven.
6. De media besteden (v.t.) veel aandacht aan die affaire.
7 .Dit jaar zijn (t.t.) het aantal veranderingen in de wetgeving wel erg groot.
8. Dit soort taalspelletjes worden (t.t.) op CambiumNed veel gespeeld.
9. Ook op het platteland worden (t.t.) drugs veel gebruikt.
10. Het gebruik van de euromunten blijken (t.t.) voor veel mensen nog steeds lastig.
11. Het merendeel van de scholieren vinden (v.t.) de opgaven moeilijk.
12. Dertig procent van de deelnemers hebben (t.t.) de eindstreep niet gehaald.