Vul de juiste vorm van het werkwoord in.
t.t. = tegenwoordige v.t. = verleden tijd v.d. = voltooid deelwoord

Gebruik de hintknop als je er niet uitkomt.

1. Hij faxen (v.t..) dat jullie gisteren heel goed bridgen (v.t.) .
2. Mijn vader deleten (v.t.) het downloaden (v.d.) programma.
3. Halverwege werd nog de snelste tijd timen (v.d.) , maar hij finishen (v.t.) als laatste.
4. Hij showen (t.t.) graag dat hij heel goed breakdancen (t.t.) .
5. Ik promoten (t.t.) paintballen al jaren.
6. Op de laatste lesdag barbecueën (v.t.) wij altijd samen met de leerlingen.
7. Voordat hij rugbyen (v.t.) , heeft hij jaren volleyballen (v.d.) .
8. Omdat hij zo goed passen (v.t.) , werd hij vaak tackelen (v.d.) .
9. Hij joggen (v.t) elke dag toen hij nog niet zo goed baseballen (v.t.) .
10.Als hij chatten (t.t.) , komt het nog al eens voor dat er wordt flirten (v.d.) .
11.De garage mailen (t.t.) me dat dat type auto niet leasen (v.d.) kan worden.
12.Hij showen (t.t.) graag de creaties die hij maakt als hij freelancen (t.t.) .
13.Hij faken (v.t.) dat hij carpoolen (v.t.) want hij ging gewoon met zijn eigen auto.
14.Ben jij faceliften (v.d.) ?
15.Tegenwoordig wordt er heel vaak googelen (v.d.) als men iets wil opzoeken.