Noteer het naamwoordelijk gezegde (NG). Noteer ook het werkwoordelijk deel (WD) en het naamwoordelijk deel (ND).
Gebruik de hintknop als je er niet uitkomt.

1. Mijn mobiel is kapot.
WD =
ND =
NG =
2. Hij lijkt me erg aardig.
WD =
ND =
NG =
3. Mijn dochter was gisteren ziek.
WD =
ND =
NG =
4. Hij is op school de beste tennisser.
WD =
ND =
NG =
5. Hij is jarenlang de populairste leraar geweest.
WD =
ND =
NG =
6. Na die nederlaag leken de volleybalsters ontroostbaar.
WD=
ND =
NG =
7. Volgens veel mensen is december de gezelligste maand van het jaar.
WD =
ND =
NG =
8. Voor de voorzittersfunctie lijkt zij de beste kandidaat.
WD =
ND =
NG =
9. Karin was erg blij met de vondst van haar agenda.
WD =
ND =
NG =
10. Na die hevige regenbui werd de situatie onhoudbaar.
WD =
ND =
NG =
11. Voor veel leerlingen blijft grammatica een moeilijk onderdeel van het vak Nederlands.
WD =
ND =
NG =
12. Ik ben erg benieuwd naar de nieuwe dirigent.
WD =
ND =
NG =