Oefening oorzakelijk voorwerp

Noteer het naamwoordelijk gezegde (ng) en oorzakelijk voorwerp (ov).
Gebruik de hintknop als je er niet uitkomt.

1. Bony werd het spelletje moe.
ng =
ov =
2. Is je broer haar nog iets schuldig?
ng =
ov =
3. Wij zijn dat hier in de grote stad wel gewend.
ng =
ov =
4. De broers waren elkaar al snel kwijt in het gedrang bij de demonstratie.
ng =
ov =
5. De politie is bij het onderzoek naar de cyberaanval op ING het spoor bijster.
ng =
ov =
6. Suzan is het trucje eindelijk meester.
ng =
ov =
7. In dat gebied met die onlusten ben je je leven niet zeker.
ng =
ov =
8. De spelers van Real Madrid zijn honderden miljoenen waard.
ng =
ov =