De persoonsvorm in de tegenwoordige tijd (t.t.) en verleden tijd (v.t.) van zwakke en sterke werkwoorden. Selecteer het juiste antwoord.

1. Jij verwaarloos (t.t.) de vriendschap.
2. Hij geloof (t.t.) dat jij hem leugens vertel (t.t.)
3. Ik wache (v.t.) erg lang op hem.
4. Hij bestee (t.t.) te veel tijd aan het gamen.
5. Verzon (v.t.) je broer het cadeau nog een keer?
6. De helikopter lane (v.t.) op een strand bij Tripoli.
7. Deze vereniging stree (v.t.).al jaren voor de rechten van dieren.
8. Mijn broer game (t.t.).per dag toch al snel twee uur.
6. Hij veroorloof (t.t.) zich wel erg veel.
7. Zij verpleeg (t.t.) hem al twee maanden.
8. Beantwoor (t.t.) jij die e-mail nog een keer?
9. Het bevreeme (v.t.) ons niet dat hij won.
10. Het varken wroee (v.t.) met zijn snuit in de grond.
11. Wij rekenen erop dat iedereen de club ondersteun (t.t.)
12. Op school mune (v.t.) hij niet erg uit, maar hij slaage (v.t.) met uitstekende cijfers voor zijn examen.
13. Hij verleene (v.t.) de scooter geen voorrang.
14. Dat gebeur (t.t.) niet nog een keer.