Werkwoorden in de tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooid deelwoorden

Schrijf werkwoorden in de goede vorm. ( t.t. = tegenwoordige tijd, v.t. = verleden tijd en v.d. = voltooid deelwoord)
Gebruik de hintknop als je er niet uitkomt.

1. Royston Drenthe stichten (v.t) veel verwarring in de verdediging van de tegenstander.
2. Hij verbeelden (t.t.) zich heel wat nu hij Crocs dragen (t.t.) .
3. Roger Ferderer vergroten (v.t.) zijn voorsprong.
4. Vanuit een woonhuis worden (v.t.) de dader al een tijd bespieden (v.d.) .
5. Hij zullen (v.t.) het smeden (v.d.) hek wel verven.
6. Jij raden (t.t.) het antwoord nooit.
7. Dit is nu al de vijfde keer dat hij verhuizen (t.t.) .
8. De leraar geloven (t.t) die leugens toch niet?
9. Heeft hij het filmpje op YouTube plaatsen (v.d.) ?
10. Hij heeft de melken (v.d.) koe naar de stal brengen (v.d.) .
11. Hij verwachten (v.t.) niet dat de leerlingen de toets zo moeilijk zullen (v.t.) vinden.
12. Weet jij wat er gebeuren (v.d.) is?
13. Het lijken (t.t) wel of het hier spoken (t.t) .