Oefening deelwoorden en persoonsvormen in de tegenwoordige en verleden tijd
Selecteer de juiste letters. t.t. = tegenwoordige tijd; v.t. = verleden tijd OD = onvoltooid deelwoord; VD = voltooid deelwoord

1. Ik heb toch gezeg (vd) dat je de gebrad (VD) gehaktballetjes eerst moet serveren.
2. De raket verwoes (vt) het hoofdkwartier van de overrompel (VD) vijand.
3. Hij ache (vt) de informatie onbetrouwbaar en noem (vt) de schrijver een chaoot.
4. Hij berei (tt) de maaltijd met een verbaas (VD) uitdrukking op zijn gezicht.
5. De gestel (VD) vragen wer (vt) door de minister vlot beantwoor (VD).
6. Wild om zich heen trappen (OD) snel (vt) hij naar de kleedkamer.
6. De verbred (VD) weg zal morgen worden opgestel (VD).
7. De gewie (VD) muur wer (vt) de volgende dag al weer bekla (VD).
8. Weggebruikers mel (vt) een enorme vuurbal nadat de wagen met gasflessen was ontplof (VD).
9. Vrijdag presenteer (tt) de groep het nieuwe album dat bij een nieuwe platenmaatschappij wor (tt) uitgebrach (VD).
10. Iedereen hoop (tt) dat de groep dan een spetteren (OD) optreden verzorg (tt).
12. Wij verwach (tt)de kinderen lachen (OD) aan te treffen.
13. Hij fax (vt) dat hij fietsen (OD) zou komen.
14. Hij spure (vt) naar de finish waar zijn voorsprong wer (vt) getime (VD).