Voltooide deelwoorden en persoonsvormen in de tegenwoordige en verleden tijd

  

Kies uit : d, t, dt, dd of tt. Raadpleeg bij twijfel het vraagteken(?).
Je hebt 15 minuten om de oefening te maken.

1. De tegenstander aanvaare de verkiezingsuitslag niet.
2. De mensen vluchen na de overstroming naar hoger gelegen gebieden.
3. Vin jij dat dat je broer een juiste keuze heeft gemaak?
4. Het lij geen twijfel dat dat het horloge ontvreem is.
5. De uitgepue schaatser scheure zijn pak tijdens de val.
6. De schaatsers werden toegejuich door het toegestroome publiek.
7. De computer crashe als gevolg van de gedownloae cookies.
8. Op de Dam tree een groot aantal artiesten op.
9. In Veen tra de politie een aantal keer op.
10.Als Adriaanse bij AZ vertrek, volg Van Gaal hem op.
11.NEC verrase de tegenstander met aanvallend spel.
12 De nieuw ingeriche kamer kose meer dan hij in eerste instantie vermoee.
13.Zij stuie op een gesloten deur en stooe daardoor haar hoofd.
14.Het mooie najaar vergoe de slechte zomer
15.Hij bestraae de paden in de net aangelege tuin zelf.
16.Voordat hij stare, controleere hij of de banden opgepomp waren.
17.Om te voorkomen dat de epidemie zich verbreie, verandere hij de voorzorgsmaatregelen.
18.Ik vermoe dat Van der Velde vandaag niet meer star.