Selecteer een passend verbindingswoord en zeg ook welk verband het aangeeft.
Kies uit de volgende verbindingswoorden: als, doordat, dus, hoewel, mits, omdat, om te, soortgelijke, te danken aan, tenzij, verder en wanneer.

1. je besluit die iPod te kopen kan je niet op vakantie. verband =
2. Zij werkte hard kunnen overleven. verband =
3. De redactie zal nog één nummer uitbrengen, er voldoende kopij binnenkomt. verband =
4. de verdachte zichzelf tegensprak, raakte de rechter geïrriteerd. verband =
5. het veld doorweekt was, trainde het Nederlands elftal rustig verder. verband =
6. hij zoveel kritiek kreeg, legde hij zijn functie neer. verband =
7. Ik geniet van goede muziek ben ik een filmliefhebber. verband =
8. Je hebt vijf onvoldoendes op je rapport. Je zult harder moeten gaan werken. verband =
9. Hij gebruikt wel vaker vreemde argumenten en gebruikt hij nu ook weer. verband =
10. Die onvoldoendes heeft hij zijn grenzeloze luiheid. verband =
11. je je oor laat behandelen, moet je gelijk je neus recht laten zetten. verband =
12. Je mag meedoen je van plan bent de boel weer te verzieken. verband =