Selecteer de juiste afkorting en klik op "nakijken". Kies uit: persoonlijk (p.vnw), bezittelijk (b.vnw), aanwijzend (a.vnw), vragend (v.vnw), betrekkelijk (bet.vnw) betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent (bet.vnw+), wederkerend (wd.vnw), wederkerig (wg.vnw) of onbepaald voornaamwoord (o.vnw).

1. Men wist daar niets van.
2. Hij zag iets wat de rest niet zag.
3. Met wie zat zij daar te kletsen?
4. Wat jij daar beweert, is onzin.
5. Wat vindt je vader van zijn verhaal?
6. Mijn moeder ergert zich gruwelijk.
7. Je bekijkt het maar.
8. Wij passen op elkaars scooters.
9. Wie dat zegt, is niet goed wijs.
10. Daarna mocht hij pas zijn handen wassen.
11. Wij kunnen ons dat maar moeilijk voorstellen.
12. De jongen met wie je sprak, heb je dat verhaal niet verteld.
13. Men kan moeilijk volhouden dat deze regel voor iedereen geldt.
14. Mag ik ook iets ?
15. Zou die matroos het wel leuk vinden?
16. Wat doe je daar?