Selecteer de juiste letter(s)
t.t. = tegenwoordige tijd v.t. = verleden tijd v.d. = voltooid deelwoord b.n. = bijvoeglijk naamwoord

1. Mijn oom verwaarloos (t.t.) zijn tuin.
2. Tijdens de training heef (t.t.) hij een spier verrek (v.d.).
3. Het nieuws verbreie (v.t.) zich snel door Caïro.
4. Jij raa (t.t.) het nooit.
5. Op het ogenblik wor (t.t.) de nieuwe school gebouw (v.d.).
6. Hij bedoel (t.t.) het goed.
7. Het mise (v.t.) gisteren de hele dag.
8. Wij misen (v.t.) daardoor het vliegtuig.
9. Ook Griekenland heeft het verdrag onderteken (v.d.).
10. Al die ellende heeft haar wel verouder (v.d.).
11. De tandarts heeft me niet verdoof (v.d.) en direct geboor (v.d.).
12. Het beklae (b.n.) schrift heeft hij maar weggegooi (v.d.).
13. De ontsnape (b.n.) gevangenen waren gemartel (v.d.).
14. De verbouwe (b.n.) school wor (t.t.) in juni heropen (v.d.).
15. De vernieuwe (b.n.) lokalen kunnen dan door iedereen worden bewonder (v.d.).
16. De regering aanvaare (v.t.)de voorgestele (b.n.) wijzigingen niet.
17. De verklee (b.n.) leraren werden toch herken (v.d.).
18. Zijn toespraak wer (v.t.) overstem (v.d) door boegeroep.
19. Toen de speler er genoeg van had, luche (v.t.) hij zijn hart.
20. De aangeriche (b.n.) schade werd niet helemaal door de verzekering vergoe (v.d.).