Vul de juiste vorm (zie afkorting) van het tussen haakjes geplaatste werkwoord in.
Gebruikte afkortingen: pvtt = persoonsvorm tegenwoordige tijd, pvvt = persoonsvorm verleden tijd, inf = infinitief, od = onvoltooid deelwoord, vd = voltooid deelwoord, odbn = onvoltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt en vdbn = voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt.

Gebruik de hintknop als je er niet uitkomt.

1. Na (doen) vdbn arbeid (zijn) pvtt het goed rusten.
2. Wat (willen) pvtt u (drinken) inf?
3. Het verbazen) pvvt me dat hij zo weinig aandacht (besteden) pvvt aan de (vrezen) vdbn ziekte.
4. (wankelen) od (lopen) pvvt hij de klas uit.
5. Wij (hebben) pvtt (genieten) vd van pas (kopen) vdbn spits.
6. De rechter (hebben) pvtt de (beschimpen) vdbn vandaal nog niet (veroordelen) vd.
7. Het net (beëdigen) vdbn Kamerlid (zijn) pvtt door de oppositie flink (bekritiseren) vd.
8. (hoesten) od en (proesten) od (komen) pvvt hij de klas (inlopen) inf.
9. Hij (hebben) pvtt de (wandelen) odbn tak in een doos (stoppen) vd.
10. Het (vergroten) vdbn lokaal (zijn) pvvt nog niet groot genoeg.
11. Omdat de keeper zo (stuntelen) pvvt, (vergroten) pvvt hij op een eenvoudige manier de voorsprong.
12. Het (zijn) pvtt (verbazen) od hoe hij dat telkens voor elkaar (krijgen) pvtt.

© CambiumNed