Benoem de voornaamwoorden.
b.vnw = betrekkelijk voornaamwoord, b.vnw + = betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent, a.vnw = aanwijzend voornaamwoord, v.vnw = vragend voornaamwoord

1. Dat is het boek dat ik besteld heb.
2. Dit is nu de leraar voor wie zij zo bang was.
3. Vertel me nu eens wat het bezwaar is?
4. Wat hij toen zei, ben ik nooit vergeten.
5. Zij stond kleren te passen die uit de kringloopwinkel kwamen.
6. Weet je al wat je op oudejaarsavond gaat doen?
7. Dit is het meisje op wie Jan verliefd is.
8. Na alles wat we al voor je gedaan hebben, zullen dat probleem ook nog wel even oplossen.
9. Wat ik toen van die persoon te horen kreeg, zal ik niet snel vergeten.
10. Hij wilde een einde aan dit gezeur maken, wat hem niet lukte.
11. Wie de hoofdprijs wint, krijgt dertig miljoen euro.
12. Het ergste wat je kan overkomen is een nat pak.
13. Wat hij zegt, is niet altijd goed te verstaan.
14. Welke bezwaren zou deze rector kunnen hebben?