Kies uit bepaald lidwoord (bep.lidw.), onbepaald lidwoord (onbep.lidw.) en geen lidwoord (geen lidw.).

1. Het boek ligt in de kast.
2. Ik heb een hekel aan spinazie.
3. Het regent al de hele dag.
4. Het zielige hondje werd door de oude vrouw meegenomen.
5. Het lijkt me beter als een ouder persoon het doet.
6. Geef het meisje maar 'n ijsje.
7. De Spanjaard Flecha won dit jaar de Omloop 't Nieuwsblad.
8. Het uit de hand gelopen debat duurde een uur langer dan gepland.