Benoem de voornaamwoorden uit de volgende zinnen.
persoonlijk voornaamwoord = pvnw, bezittelijk voornaamwoord = bvnw, wederkerend voornaamwoord = wvnw

1. Heeft hij zijn boeken al ingeleverd.
hij = zijn =
2. Zij wil zich niet bekeren.
zij = zich =
3. We zijn gisteren met je broer naar zijn nieuwe huis wezen kijken.
we = je = zijn =
4. Zagen jullie ons niet staan?
jullie = ons =
5. Hij vertrouwt het niet helemaal.
hij = het =
6. Daarvoor hoef je je niet te schamen.
je = je =
7. Wij zaten ons gruwelijk te vervelen tijdens die les.
wij = ons =
8. Ik heb u uw potlood toch al teruggeven?
ik = u = uw =
9. Zijn broers verwennen hem te veel.
zijn = hem
10. Ik denk dat jij je vergist.
ik = jij = je =