Herhaling, tautologie of pleonasme?
A= Schrijf de woorden op die de stijlfiguur vormen.
B = Vul in: herhaling, tautologie of pleonasme
Gebruik de hintknop als je er niet uitkomt.

1. Hij kende zijn tegenstander van haver tot gort.
A=
B=
2. Op de vlakke, gladde Reewijkse plas was het prachtig schaatsen.
A=
B=
3. Waarom, waarom, waarom moest dat toch gebeuren?
A=
B=
4. In die grijze mist konden we ons moeilijk oriënteren.
A=
B=
5. Dankzij zijn enorme inzet is de organisatie nu in kannen en kruiken.
A=
B=
6. Na de dijkverzwaring gaven de strakke dijken een gevoel van veiligheid.
A=
B=
7. Ook dit voorjaar gaat mijn schoonmoeder naar de bloeiende bloesem langs de Linge kijken.
A=
B=
8. Voordat we beginnen zullen we moeten vaststellen wat de onze doelen zijn en wat onze beoogde doelgroep is.
A
B=
9. Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam. (Neeltje Maria Min)
A=
B=
10. Hij kende daar heg noch steg en verdwaalde dan ook al snel.
A=
B=
11. Dankzij de bemiddelende rol van de paus konden de Verenigde Statenen Cuba een wederzijdse overeenkomst sluiten.
A=
B=
12. Het is op dit moment alleen maar kommer en kwel in dat gebeid.
A=
B=