Wederkerende (wd) en wederkerige (wg) voornaamwoorden.
a. Noteer het voornaamwoord.
b. Benoem het (wd of wg).

1. Wij verbazen ons daar niet meer over. a = , b =
2. Zij hadden elkander zo lief. (Het lied van twee koningskinderen) a = , b =
3. Hij verveelt zich regelmatig tijdens de les. a = , b =
4. Laten we lief zijn voor elkaar. a. = , b =
5. Hij verdedigde zich heftig tegen de beschuldiging. a = , b =
6. Ik heb me vergist in de mogelijkheden van dat apparaat. a = , b =
7. De datingsite brengt eenzame mensen bij mekaar. a = , b =
8. Schamen jullie je daar niet voor? a= , b =
9. U trekt zich ook nergens iets van aan. a= , b =
10. Zij hadden moeite om mekander los te laten. a= , b =