Selecteer de juiste voorzetsels.

1. Ik schaam me niet mijn afkomst.
2. Hij schaamt zijn zus.
3. Het is de kunst om je je lot te schikken.
4. Hij zal zich moeten schikken de wensen van zijn ouders.
5. Ik ben wel tevreden die beloning.
6. Hij is niet tevreden de prestaties van het eerste elftal.
7. Wat gebeurt als er niet de voorwaarden wordt voldaan?
8. Daarmee verbindt je je schriftelijk de aanschaf van dat boek.
9. Ik kan me moeilijk vereenzelvigen die persoon.
10. De voorzitter kan zich niet dat voorstel verenigen.
11. Ik verheug me de voorjaarsvakantie.
12. Mijn opa verheugt zich nog altijd een goede gezondheid.
13. Hij klampt zich vast die laatste strohalm.
14. Dat verhoudt zich niet goed eerder behaalde resultaten.
15. Hij vertrouwt zijn geluk.
16. Hij is nog niet geheel vertrouwd de nieuwe situatie.
17. Dat was de eerste aanzet het bouwen van een geheel nieuw huis.
18. Hij werd veroordeeld wegens het aanzetten geweld.
19. Zij zaten aan een uitgebreid banket.
20. Dat is zoveel werk, daar is geen beginnen .
21. Het koor zal beginnen een werk Dvořák.
22. Hij begon weer het voorval.
23. Hij was moeilijk een volgende stap te bewegen.
24. Hij was niet bestand zoveel geweld.
25. Wij gaan hem morgen condoleren de dood van zijn echtgenote.