Werkwoordsvormen
Met wat voor werkwoordsvorm heb je te maken: persoonsvorm, voltooid deelwoord, onvoltooid deelwoord of infinitief?

1. Huilend liep ze naar huis.
2. Deze zomer ben ik naar Italië geweest .
3. Hij moest hard lachen .
4. Ik ga mijn eerste voldoende halen voor grammatica.
5. Hij schrok heel erg.
6. Daar gebeurt altijd wat.
7. Ik heb er niet veel voor gebeurd .
8. Ze komen 12 september eten .
9. Juichend liep hij naar de middenstip.
10. Ik heb wel een uur geslapen .
11. Zou hij wel komen ?
12. Hij gaat elke dag fluitend naar school.
13. Er zijn daar meer kinderen gestruikeld .
14. Zij zal het wel gedaan hebben .